ECLI:NL:RVS:2018:3375
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2008 en 2009 wegens termijnoverschrijding
De appellant heeft een verzoek tot herziening van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 ingediend, nadat de Belastingdienst/Toeslagen deze toeslagen definitief op nihil had vastgesteld. Dit verzoek werd afgewezen omdat het te laat was ingediend volgens de vijfjaarstermijn van artikel 21a Awir en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de termijn van vijf jaar geldt vanaf de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft en dat het verzoek van appellant te laat was, ook al werd voor 2008 een afwijking overwogen. De appellant stelde dat een eerdere zevenjaarstermijn van toepassing was en dat de termijn pas zou moeten lopen vanaf de datum van het definitieve vaststellingsbesluit, maar deze argumenten werden door de Afdeling bestuursrechtspraak verworpen op basis van eerdere jurisprudentie.
De Afdeling bevestigt dat de termijn van vijf jaar begint te lopen na het kalenderjaar van de toeslag en dat het verzoek van appellant buiten deze termijn viel. Wel is een uitzondering geformuleerd waarbij een termijn van één jaar wordt gegund na het definitieve vaststellingsbesluit indien dit besluit pas kort na het verstrijken van de vijfjaarstermijn is genomen. Dit geldt echter niet voor appellant omdat zijn verzoek meer dan een jaar na het definitieve besluit over 2008 is ingediend.
Verder oordeelt de Afdeling dat het horen van appellant door de Belastingdienst niet verplicht was, omdat het verzoek te laat was. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag bevestigd.