ECLI:NL:RVS:2018:3248
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel gewezen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 14 juli 2017 besluiten waarbij de aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling werden genomen. De vreemdelingen, waaronder een moeder en haar verstandelijk beperkte zoon, stelden beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de besluiten, met het bevel tot nieuwe besluitvorming.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat onvoldoende was gemotiveerd waarom er geen sprake was van afhankelijkheid tussen de moeder, haar zoon en de vreemdelingen, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. De vreemdelingen hadden medische stukken overgelegd waaruit een zorgrelatie bleek, maar volgens de staatssecretaris ontbrak concrete onderbouwing van de mantelzorg en de noodzakelijkheid van hun aanwezigheid.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris niet had gemotiveerd waarom artikel 16 niet Pro van toepassing was. De medische stukken boden onvoldoende concreet bewijs voor een afhankelijkheidsrelatie. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen wordt ongegrond verklaard.