ECLI:NL:RVS:2018:3185
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over gelijkheidsbeginsel bij planschadevergoeding Soest
Het college van burgemeester en wethouders van Soest wees aanvragen van twee eigenaren van woningen af om een tegemoetkoming in planschade na een projectbesluit uit 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van de eigenaren gegrond en vernietigde de besluiten, omdat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel een hogere drempel van 3% hanteerde dan in vergelijkbare eerdere zaken (2%).
De rechtbank stelde zelf de omvang van het normale maatschappelijke risico vast, waarbij een forfait van 2% van de woningwaarde in mindering werd gebracht op de schadevergoeding. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de latere indiening en gewijzigde jurisprudentie dit verschil rechtvaardigden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de latere indiening geen rechtvaardiging vormt voor ongelijke behandeling, omdat dezelfde planologische maatregel en peildatum gelden. De jurisprudentiële ontwikkelingen betreffen niet het gelijkheidsbeginsel, maar de redelijkheid van percentages voor het normale maatschappelijke risico.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €501 en betaling van griffierecht van €508.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.