ECLI:NL:RVS:2018:312
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek inzage persoonsgegevens minister en Raad van Discipline
Appellant verzocht de minister op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) om inzage in alle correspondentie tussen het ministerie en de Raad van Discipline van Amsterdam en het Hof van Discipline over zijn persoonsgegevens. De minister gaf aan dat geen dergelijke correspondentie was aangetroffen na een onderzoek in diverse systemen.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat het onderzoek onvoldoende was, omdat het zich te beperkt zou hebben tot het systeem Digijust en niet alle relevante e-mailboxen waren doorzocht. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de minister geen persoonsgegevens verwerkte in correspondentie met de Raad van Discipline.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de rechtbank partijdig was en dat het onderzoek onvoldoende was, maar de Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren. De Afdeling bevestigde dat de minister een zorgvuldig onderzoek had gedaan en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er toch relevante correspondentie bestond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.