ECLI:NL:RVS:2018:3013

Raad van State

Datum uitspraak
17 september 2018
Publicatiedatum
18 september 2018
Zaaknummer
201802494/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering tatoeage

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen bij besluiten van 22 mei 2017 en 6 december 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond in een uitspraak van 14 maart 2018. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat hij een tatoeage heeft die in Afghanistan als teken van christendom wordt gezien, hetgeen risico op vervolging inhoudt.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State constateerde dat de rechtbank niet adequaat was ingegaan op de betekenis van deze tatoeage en de gevolgen daarvan voor het asielverzoek. Daarom werd de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor herbehandeling met inachtneming van deze overweging. Andere aangevoerde gronden konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, ter hoogte van €1.503,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 17 september 2018.

Uitkomst: De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor herbehandeling met betrekking tot de tatoeage en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

201802494/1/V2.
Datum uitspraak: 17 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 maart 2018 in zaak nr. NL17.3255 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2017, aangevuld op 6 december 2017, heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 maart 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M. Veld, advocaat te Drachten, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft ter zitting bij de rechtbank gesteld dat hij een tatoeage heeft waardoor hij in Afghanistan zal worden gezien als christen. De vreemdeling klaagt in de vierde grief terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op de betekenis van deze tatoeage.
2.    Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1802 en ECLI:NL:RVS:2018:1803 zal de Afdeling de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
3.    Wat de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in zoverre met dat oordeel volstaan.
4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Engelhart
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2018
643.