ECLI:NL:RVS:2018:2335
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschot huurtoeslag wegens gebrek zelfstandige woonruimte
Appellant huurde in 2017 een (garage)woning van zijn ouders en vorderde huurtoeslag. De Belastingdienst herzag het voorschot huurtoeslag naar nihil omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het gehuurde een zelfstandige woonruimte betrof. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Appellant stelde in hoger beroep dat er sprake was van een zelfstandige woonruimte vanwege exclusief gebruik van een tweede douche en toilet, ondersteund door foto’s en een huurovereenkomst. Tevens stelde hij dat de Belastingdienst ten onrechte geen onderzoek had verricht en dat zijn bezwaar als verzoek om herziening had moeten worden behandeld. Ook voerde hij strijd met het gelijkheidsbeginsel en het niet toepassen van een hardheidsclausule aan.
De Afdeling bestuursrechtspraak volgde het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de woonruimte zelfstandige woonruimte was. De voorzieningen waren niet exclusief aan appellant toegekend en de vertrekken waren niet afsluitbaar. De Belastingdienst was niet verplicht zelfstandig onderzoek te doen. De overige betogen faalden wegens onvoldoende onderbouwing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellant geen recht heeft op huurtoeslag wegens het ontbreken van zelfstandige woonruimte.