ECLI:NL:RVS:2018:2096
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening in hoger beroep tegen opheffing vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 6 juni 2018 is een vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht. Op 22 juni 2018 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de bewaring opgeheven met ingang van die dag en de vreemdeling een schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens heeft de staatssecretaris verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank direct uitgevoerd wordt.
De voorzieningenrechter heeft op 22 juni 2018 mondeling beslist bij wijze van ordemaatregel dat de staatssecretaris aan de uitspraak van de rechtbank geen gevolg hoeft te geven totdat op 25 juni 2018 een beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening wordt genomen. Hiermee wordt de uitvoering van de opheffing van de bewaring tijdelijk opgeschort in afwachting van de verdere behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: De voorzieningenrechter heeft bij ordemaatregel bepaald dat de staatssecretaris de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat op 25 juni 2018 een beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening is genomen.