ECLI:NL:RVS:2018:1993
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 20 februari 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris, verklaarde de rechtbank Den Haag op 16 mei 2018 het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zou blijven, maar vond geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen.
Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, een bedrag van €501,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.