ECLI:NL:RVS:2018:1992
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 5 december 2016 aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris de bezwaren ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde vervolgens op 17 mei 2018 dit besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij niet hoefde te voldoen aan het vonnis van de rechtbank zolang het hoger beroep loopt. De vreemdelingen gaven een schriftelijke reactie op dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zou blijven, maar zag geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij werd meegewogen dat de uitspraak van de rechtbank niet tot gevolg had dat de machtigingen tot voorlopig verblijf direct verleend moesten worden. Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €501.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.