ECLI:NL:RVS:2018:1965
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- J. Hoekstra
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand wegens niet-verleende rechtsbijstand
Appellant, een advocaat-belastingkundige, vorderde vergoedingen voor werkzaamheden onder twee toevoegingen. De raad voor rechtsbijstand trok deze vergoedingen in omdat uit urenspecificaties bleek dat de werkzaamheden niet door appellant, maar door andere advocaten waren verricht. Appellant voerde aan dat hij wel recht had op de vergoeding en dat de intrekking onterecht was.
De rechtbank oordeelde dat de raad bevoegd was de vergoedingen in te trekken op grond van artikel 4:49 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat appellant de rechtsbijstand niet zelf had verleend. Hoewel de rechtbank Midden-Nederland formeel niet bevoegd was, werd de zaak inhoudelijk behandeld en het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling dat de intrekking terecht was. De verklaring van akkoordverklaring van de toegevoegde advocaat kon niet worden geverifieerd en mocht buiten beschouwing blijven. De raad had niet hoeven afzien van intrekking omdat de werkzaamheden niet door appellant waren verricht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de vergoedingen aan appellant wegens het niet zelf verlenen van rechtsbijstand wordt bevestigd.