ECLI:NL:RVS:2018:1932
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Verklaring Omtrent het Gedrag na veroordeling poging tot mensenhandel en afpersing
Appellante verzocht op 30 mei 2016 om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een functie als huiswerkbegeleider. De staatssecretaris weigerde dit verzoek op grond van een onherroepelijke veroordeling van 21 februari 2013 voor poging tot mensenhandel en afpersing, met toepassing van de beleidsregels VOG-NP-RP 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht een onbeperkte terugkijktermijn toepaste vanwege het zedendelict en dat het objectieve criterium voor weigering van de VOG is vervuld. De veroordeling vormt een risico voor de samenleving en een belemmering voor de functie, mede vanwege de gezags- en afhankelijkheidsrelatie met kwetsbare leerlingen.
Het subjectieve criterium biedt slechts beperkte ruimte voor afgifte van de VOG bij zedendelicten. De staatssecretaris heeft terecht het belang van de samenleving zwaarder laten wegen dan dat van appellante, mede gelet op het korte tijdsverloop sinds de veroordeling en de ernst van het delict. Appellante's beroep op privacyrechten (artikel 8 EVRM Pro) wordt verworpen omdat het doel van de VOG in overeenstemming is met de bescherming van de rechten van anderen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de VOG aan appellante vanwege haar eerdere veroordeling.