ECLI:NL:RVS:2018:1832
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- F.C.M.A. Michiels
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen onrechtmatige visvergunningen en erkenning schadevergoeding
Bij besluit van 27 juni 2014 en 29 juni 2015 verleende de staatssecretaris vergunningen aan appellant voor het gebruik van acht staande netten op het IJsselmeer. De staatssecretaris verklaarde deze besluiten op 12 juli 2016 onrechtmatig en erkende de bezwaren van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang.
Appellant stelde dat hij wel belang had bij de beoordeling van het beroep, onder meer vanwege schadevergoeding en proceskosten. De Afdeling overwoog dat de vergunningen inmiddels waren verlopen en appellant geen belang had bij hernieuwde vergunningverlening. Ook voor een proceskostenvergoeding was geen belang, omdat appellant hier geen bezwaar over had ingediend.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee blijft de erkenning van de onrechtmatigheid van de vergunningen staan, met de mogelijkheid voor appellant om een schadevergoeding te verzoeken.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.