ECLI:NL:RVS:2018:1715
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Afdeling bestuursrechtspraak bij hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring na categoriewijziging
De vreemdeling is bij besluit van 3 april 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 17 april 2018 het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat bij omzetting van bewaring van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, naar onderdeel a van de Vreemdelingenwet 2000 geen nieuwe maatregel wordt opgelegd, maar sprake is van voortduren van de reeds opgelegde bewaring. Dit betekent dat het beroep moet worden opgevat als gericht tegen het voortduren van de bewaring op grond van artikel 96, eerste lid, Vw 2000.
De Afdeling stelt vast dat tegen een uitspraak over het voortduren van bewaring geen hoger beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak, anders dan bij een uitspraak als bedoeld in artikel 95, eerste lid, Vw 2000. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring na categoriewijziging.