ECLI:NL:RVS:2018:1268
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging huisverbod na incident huiselijk geweld ondanks betwisting zelfverdediging
De burgemeester legde op 27 februari 2016 een huisverbod van tien dagen op aan appellante na een incident op 26 februari waarbij sprake was van een woordenwisseling en fysiek geweld tussen appellante en haar echtgenoot, waarbij laatstgenoemde gewond raakte.
Appellante voerde aan dat zij uit zelfverdediging handelde, dat de dreiging niet van haar uitging en dat het huisverbod onevenredig bezwarend was vanwege haar zorg voor de jongste dochter. Tevens stelde zij dat de rechtbank ten onrechte het huisverbod had bevestigd zonder rekening te houden met feiten na oplegging en met het Verdrag van Istanbul.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar zienswijze te geven, dat het huisverbod terecht was opgelegd op grond van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid, en dat het feit dat zij door de strafrechter was vrijgesproken van geweldpleging niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgemeester. Het huisverbod was niet onevenredig bezwarend, mede omdat appellante haar dochter mocht zien.
Verder was het Verdrag van Istanbul nog niet van kracht ten tijde van het besluit en hoefde de rechtbank geen feiten na oplegging te betrekken omdat het huisverbod was verlopen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het huisverbod van tien dagen is terecht opgelegd en het hoger beroep is ongegrond verklaard.