ECLI:NL:RVS:2018:1021
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling zonder risico op schending EVRM
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 30 januari 2018 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat in hoger beroep niet in geschil was dat de vreemdeling bij terugkeer geen risico loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hierdoor ontbrak een 'arguable claim' die nodig is om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Ook waren er geen andere omstandigheden die een voorlopige voorziening rechtvaardigden.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening, die beoogde uitzetting te voorkomen en opvang te garanderen, als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos op 23 maart 2018.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en stopzetting van opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van een risico bij terugkeer.