ECLI:NL:RVS:2017:830
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen nihil vaststelling toeslagen wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellante, afkomstig uit Nigeria, had haar rechtmatig verblijf in Nederland betwist na intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. De Belastingdienst/Toeslagen had haar voorschotten op huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget voor 2013 op nihil gesteld, omdat zij vanaf een bepaald moment niet meer rechtmatig verbleef.
De rechtbank had de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard, stellende dat de intrekking met terugwerkende kracht betekende dat zij vanaf 28 december 2011 geen rechtmatig verblijf had en dus geen aanspraak op toeslagen. Appellante stelde dat de rechtbank artikel 9 Awir Pro verkeerd had uitgelegd en dat het Unierecht aanspraak op voorzieningen tijdens lopende procedures garandeert.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellante tot 1 oktober 2013 rechtmatig verblijf had en daarmee recht op toeslagen, mede gelet op de opschorting van het intrekkingsbesluit door het instellen van rechtsmiddelen. Voor de periode na 1 oktober 2013 bestaat echter geen recht op toeslagen, omdat het Unierecht geen automatische schorsende werking van hoger beroep tegen terugkeerbesluiten vereist, tenzij sprake is van een ernstig risico op foltering of onmenselijke behandeling, wat hier niet is vastgesteld.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen, en draagt de dienst op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen worden vernietigd; appellante heeft recht op toeslagen tot 1 oktober 2013.