ECLI:NL:RVS:2017:611
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting gezagsverhouding
De minister legde appellant een boete van €12.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder vergunning. Na bezwaar werd de boete verlaagd naar €8.000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat er geen gezagsverhouding bestond en dat de vreemdeling in opdracht van een kok werkte, niet voor het restaurant zelf. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat feitelijk werkgeverschap niet afhangt van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding, maar van het feitelijk laten verrichten van arbeid. Instemming of wetenschap van de arbeid is niet vereist.
Voorts stelde appellant dat de boete gematigd moest worden vanwege de voortdurende verantwoordelijkheid van de kok en het ontbreken van verwijtbaarheid. De Raad van State bevestigde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat zij alle redelijke maatregelen had genomen om overtreding te voorkomen. De boete werd daarom gehandhaafd.
De uitspraak bevestigt het belang van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers onder de Wav en de ruime uitleg van het begrip 'werkgever'.
Uitkomst: De boete van €8.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd.