ECLI:NL:RVS:2015:543
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning
De minister legde appellant een boete op van € 2.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte in het pand van appellant. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze boete, maar zowel de rechtbank als de Raad van State verklaarden het beroep ongegrond.
De Raad van State overwoog dat het boeterapport, op ambtsbelofte opgemaakt door een arbeidsinspecteur en ondersteund door waarnemingen van een functionaris van het UWV en een verbalisant van de politie, voldoende bewijs vormde dat de vreemdeling daadwerkelijk arbeid verrichtte. Het feit dat de vreemdeling zijn verklaring niet had ondertekend, was onvoldoende om aan de juistheid van het boeterapport te twijfelen.
Verder werd geoordeeld dat appellant als feitelijk werkgever kan worden aangemerkt omdat de werkzaamheden in zijn bedrijfsruimte werden verricht, ongeacht of hij wist van de aanwezigheid of werkzaamheden van de vreemdeling. Instemming of wetenschap is niet vereist voor het werkgeversbegrip in de Wav. Het enkel mogelijk maken van arbeid verrichten wordt als laten verrichten van arbeid gezien.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van € 2.000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.