ECLI:NL:RVS:2017:3334
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens kamerverhuur ondanks bezwaar eigenaar woning
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde op 17 augustus 2015 een last onder dwangsom op aan de eigenaar van een woning in Utrecht om het gebruik van de woning voor kamerverhuur te staken. Na constatering door toezichthouders dat de woning nog steeds als kamerverhuur werd gebruikt, werd de dwangsom van €7.500,- ingevorderd. De eigenaar betwistte dit en stelde dat de woning sinds oktober 2016 werd verhuurd aan twee ongehuwd samenwonende partners en dat er geen sprake was van kamerverhuur.
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was tot invordering en dat het in redelijkheid kon besluiten tot het opleggen van de dwangsom, mede gelet op het proces-verbaal dat op ambtsbelofte was opgemaakt. De eigenaar voerde hoger beroep aan, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling overwoog dat het college en de rechtbank mochten uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal en dat de verklaringen van de bewoners wezen op kamerverhuur met vier personen die elk een kamer gebruikten en gedeelde voorzieningen.
Verder stelde de Afdeling dat de eigenaar zich tot op zekere hoogte moet informeren over het gebruik van zijn woning en dat het inschakelen van een bemiddelingsbureau hem niet ontslaat van deze zorgplicht. Het feit dat de eigenaar geen toestemming gaf voor inschrijving van andere personen op het adres was geen reden om af te zien van invordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de dwangsom werd bevestigd.
Uitkomst: De invordering van de dwangsom van €7.500 wegens kamerverhuur wordt bevestigd.