ECLI:NL:RVS:2017:3258
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake huurtoeslag en proceskostenvergoeding
In deze zaak ging het om het hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die haar beroep tegen een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen niet-ontvankelijk had verklaard. De kern van het geschil betrof de definitieve vaststelling van het recht op huurtoeslag over 2013 en de vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst met haar besluit van 4 januari 2017 materieel volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren van appellante, waardoor zij geen procesbelang meer had. Tevens stelde de rechtbank dat het verschijnen van de gemachtigde ter zitting onnodig was en wees vergoeding daarvan af.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat hoewel de rechtbank onjuist had geoordeeld dat tegen de vaststelling van rente geen bezwaar en beroep openstond, dit niet leidde tot onontvankelijkheid van het beroep omdat het materiële geschil was opgelost. Wel oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten voor het verschijnen ter zitting niet had toegekend, omdat het besluit pas kort voor de zitting was genomen en appellante niet kon worden verweten van haar recht gebruik te maken.
De Afdeling vernietigde daarom dit deel van de uitspraak, veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van de proceskosten voor het verschijnen ter zitting en bevestigde de rest van de uitspraak. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de Belastingdienst wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het verschijnen ter zitting en in hoger beroep.