ECLI:NL:RVS:2017:3256
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door arbeid zonder vergunning
De minister legde appellant een boete van €12.000 op wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen, omdat een vreemdeling zonder vergunning werkzaamheden verrichtte in diens onderneming. Appellant stelde dat de vreemdeling niet voor hem werkte en dat de verklaring van de vreemdeling niet als bewijs mocht dienen vanwege het ontbreken van een Arabische tolk.
De Raad van State oordeelde dat het verhoor wel via een telefonische tolk in het Marokkaans heeft plaatsgevonden en dat de verklaring van de vreemdeling samen met waarnemingen van arbeidsinspecteurs voldoende bewijs vormt dat de vreemdeling arbeid verrichtte. Het enkele niet geven van opdracht door appellant doet hieraan niet af, aangezien het begrip 'arbeid laten verrichten' ook passief toestaan omvat.
Appellant voerde verder aan dat de boete gematigd moest worden vanwege de geringe aard van de werkzaamheden en zijn financiële situatie. De Raad van State verwierp deze gronden, omdat de werkzaamheden niet summier waren en appellant onvoldoende financiële gegevens had overgelegd om matiging te rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €12.000 wordt bevestigd.