AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening huurtoeslaguitspraak 2013
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag voor verzoeker over 2013 definitief vast op € 2.301,00. Verzoeker maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure, die niet-ontvankelijk werd verklaard. Hiertegen werd beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak, die het beroep bevestigde en het verzet van verzoeker ongegrond verklaarde. Vervolgens verzocht verzoeker om herziening van deze uitspraken.
De Afdeling oordeelde dat het verzoek om herziening moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 8:119 AwbPro, waaronder het bestaan van feiten of omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Verzoeker stelde geen nieuwe feiten die aan deze criteria voldeden.
De Afdeling benadrukte dat het verzoek om herziening niet bedoeld is om het debat te heropenen of het geschil opnieuw aan de rechter voor te leggen. Omdat verzoeker geen nieuwe feiten aanvoerde die redelijkerwijs niet bekend konden zijn, werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de uitspraak over de huurtoeslag 2013 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten die tot een andere uitspraak kunnen leiden.
Uitspraak
201608023/1/A2.
Datum uitspraak: 8 februari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, in zaak nr. 201601654/3/A2.
Procesverloop
Bij besluit van 12 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag voor [verzoeker] voor het jaar 2013 definitief vastgesteld op € 2.301,00.
Bij besluit van 12 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 oktober 2015 heeft de rechtbank Amsterdam het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 25 januari 2016, in zaak nr. 201507824/3/A2, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2015 bevestigd.
Bij uitspraak van 4 maart 2016, in zaak nr. 201507824/5/A2, heeft de Afdeling het verzet van [verzoeker] tegen de uitspraak van 25 januari 2016 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 mei 2016, in zaak nr. 201601654/2/A2, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het verzoek om herziening van [verzoeker] van de uitspraak van 4 maart 2016 afgewezen.
Bij uitspraak van 19 oktober 2016, in zaak nr. 201601654/3, heeft de Afdeling het verzet van [verzoeker] tegen de uitspraak van 25 mei 2016 ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.
Bij brief van 23 oktober 2016 heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht de uitspraak van 19 oktober 2016 te herzien. De gronden van het verzoek zijn aangevuld bij brief van 14 november 2016.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting aan de orde gesteld op 6 januari 2017.
Overwegingen
1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 2 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1407) wordt een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij een verzoek om herziening is afgewezen opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. De Afdeling zal het verzoek om herziening daarom opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de uitspraak van 25 januari 2016.
2. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3. In de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2015, waarbij het door [verzoeker] tegen het besluit van 12 juni 2015 ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, is overwogen dat dat besluit betrekking heeft op de definitieve huurberekening van de huurtoeslag voor het jaar 2013, dat de zinsnede in het besluit van 12 september 2014 over de gewijzigde huishoudsamenstelling of woonsituatie een feitelijke mededeling is die niets te maken heeft met het recht op huurtoeslag en dat [verzoeker] geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, omdat hij geen gronden tegen de vaststelling van de huurtoeslag heeft aangevoerd.
4. In de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2016, waarbij de uitspraak van 6 oktober 2015 is bevestigd, is overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen geen andere bevoegdheden heeft dan die betrekking hebben op het verstrekken van toeslagen, dat de mededelingen in het besluit van 12 september 2014 slechts op de aanspraak op en de hoogte van toeslagen betrekking kunnen hebben en dat dat betekent dat de verklarende mededeling dat de huishoudsamenstelling of de woonsituatie van [verzoeker] is gewijzigd geen aanspraak kan geven op een wijziging van de woonsituatie. De Belastingdienst/Toeslagen heeft toegelicht dat deze mededeling een gevolg is van een administratieve wijziging in de Basisadministratie Personen. Dat een dergelijke wijziging leidt tot deze mededeling, is, mede gelet op het aantal beschikkingen dat geautomatiseerd wordt aangemaakt, niet onaannemelijk. Het kenmerk van een besluit dient geen ander doel dan dat de Belastingdienst/Toeslagen een besluit eenvoudig kan herkennen en met de geadresseerde over het besluit kan communiceren. Aan dat kenmerk kan [verzoeker] derhalve evenmin aanspraak ontlenen. Omdat het beroep niet is gericht tegen de hoogte van de door [verzoeker] ontvangen huurtoeslag en hij met zijn beroep verder niets kan bereiken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij geen belang heeft bij zijn beroep, aldus de Afdeling in de uitspraak van 25 januari 2016.
5. Het betoog van [verzoeker] komt erop neer dat hij het niet eens is met de beslissing van de Afdeling om het tegen de uitspraak van 6 oktober 2015 ingestelde hoger beroep met vereenvoudigde behandeling, zonder behandeling ervan ter zitting, kennelijk ongegrond te verklaren.
5.1. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening is uitsluitend van belang of feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. Het bijzonder rechtsmiddel herziening dient er niet toe het debat in de zaak naar aanleiding van de uitspraken, waarvan herziening wordt verzocht, te heropenen en het geschil, waarin is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen.
De in het kader van het verzoek om herziening gestelde feiten en aangevoerde omstandigheden zijn geen feiten en omstandigheden die bij [verzoeker] niet bekend waren of niet redelijkerwijs bekend konden zijn vóór de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2016. Dat betekent derhalve dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, zodat die feiten en omstandigheden reeds daarom niet tot herziening van die uitspraak kunnen leiden.
6. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.