ECLI:NL:RVS:2017:2849

Raad van State

Datum uitspraak
19 oktober 2017
Publicatiedatum
20 oktober 2017
Zaaknummer
201708031/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring aanvraag verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verklaarde op 6 september 2017 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling hiertegen op 6 oktober 2017 ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat de vreemdeling gedurende de behandeling van het hoger beroep niet hoeft te voldoen aan de aanzegging van de minister om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven. Tevens moet de vreemdeling opvang en verstrekkingen ontvangen conform de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers gedurende deze periode.

De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 495,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan op 19 oktober 2017 door mr. A.W.M. Bijloos.

Uitkomst: De vreemdeling hoeft niet te voldoen aan de aanzegging om zich naar Griekenland te begeven totdat op het hoger beroep is beslist en krijgt opvang en verstrekkingen toegekend.

Uitspraak

201708031/2/V3.
Datum uitspraak: 19 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2017 in zaak nr. NL17.8443 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij gedurende de behandeling van het door hem ingestelde hoger beroep geen gehoor hoeft te geven aan de aanzegging van de minister om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
3.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
4.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling geen gehoor hoeft te geven aan de aanzegging van de minister van Veiligheid en Justitie om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven, totdat op het hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Van Laar
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2017
551.