ECLI:NL:RVS:2017:2723

Raad van State

Datum uitspraak
9 oktober 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
201707665/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep asiel

De vreemdelingen hadden bij afzonderlijke besluiten van 18 augustus 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de staatssecretaris werden afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen deze besluiten op 19 september 2017 ongegrond. De vreemdelingen stelden daarop hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 9 oktober 2017 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Hierbij werd bepaald dat de vreemdelingen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €495,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze beslissing volgt de jurisprudentie van de Raad van State, waaronder het arrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3350), waarin vergelijkbare situaties aan de orde waren. De voorziening waarborgt dat de vreemdelingen gedurende de procedure opvang en verstrekkingen kunnen ontvangen conform de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Uitkomst: De vreemdelingen worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201707665/2/V1.
Datum uitspraak: 9 oktober 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling 1] en [de vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2017 in zaak nrs. NL.17.7415 en NL17.7416 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 18 augustus 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 19 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdelingen hebben de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hun gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3350, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Willems
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2017
412.