ECLI:NL:RVS:2017:2713
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris heeft op 8 augustus 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de staatssecretaris over de onvoldoende aannemelijkheid van de staatloosheid van de vreemdeling niet juist heeft gemotiveerd. De staatssecretaris heeft terecht gewezen op het ontbreken van registratie en documenten die de identiteit en staatloosheid staven, evenals op het feit dat de vreemdeling al ruim 20 jaar in Oekraïne verblijft zonder registratie.
De vreemdeling stelde dat het voor haar onmogelijk was haar staatloosheid aan te tonen en verwees naar een ambtsbericht over staatlozen in Oekraïne, maar de Raad van State acht dit onvoldoende om de staatloosheid aannemelijk te maken. Ook het betoog dat de staatssecretaris onderzoek had moeten doen bij Oekraïense autoriteiten faalt, omdat het aan de vreemdeling is om haar staatloosheid te bewijzen.
De Raad van State verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.