ECLI:NL:RVS:2017:2170
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens risico op onderduiken
De vreemdeling kreeg bij besluit van 10 juni 2017 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd wegens een significant risico op onderduiken. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling betoogde dat het verstrekken van onjuiste gegevens bij de visumaanvraag niet gelijkgesteld kan worden met het verstrekken van onjuiste of tegenstrijdige gegevens in verband met zijn toelatingsaanvraag. Tevens stelde hij dat hij als Dublinclaimant recht had op opvang tot aan overdracht en dat hij voldoende middelen van bestaan had, zodat het risico op onderduiken niet aannemelijk was.
De Afdeling overwoog dat voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vreemdelingenwet 2000, een significant risico op onderduiken vereist is. De maatregel was gebaseerd op het vermoeden dat de vreemdeling onjuiste of tegenstrijdige gegevens had verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reis, en dat hij niet over voldoende middelen beschikte. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris alleen stelde dat de vreemdeling onjuist had verklaard over de duur van zijn verblijf bij de visumaanvraag, wat niet volstaat als grond voor de maatregel.
Daarom oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er een significant risico op onderduiken bestond. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Omdat de maatregel al was opgeheven, werd geen bevel gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend voor de periode van 10 juni tot 5 juli 2017 en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel wordt vernietigd wegens onvoldoende grond voor het risico op onderduiken.