ECLI:NL:RVS:2017:2165
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
De vreemdeling werd bij besluit van 3 juni 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het verzet van het openbaar ministerie tegen de uitzetting slechts tijdelijk was en dat er daardoor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou zijn. Het openbaar ministerie had op 8 juni 2017 bezwaar gemaakt tegen de uitzetting, waardoor sprake was van een feitelijke belemmering die de uitzetting voorlopig in de weg stond.
Gezien het ontbreken van uitzicht op opheffing van deze belemmering binnen een redelijke termijn, ontbrak het zicht op uitzetting zoals vereist om de vreemdeling in bewaring te kunnen stellen. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven.
Daarnaast kende de Afdeling aan de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van 8 juni 2017 tot 11 augustus 2017, de dag van opheffing van de bewaring. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn en er wordt een schadevergoeding toegekend.