ECLI:NL:RVS:2017:207
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling disproportionaliteit bij onthouden verblijfsvergunning aan vreemdeling met medische klachten
De staatssecretaris wees op 17 september 2015 een aanvraag van de vreemdeling om opheffing van het inreisverbod af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht tot een nieuw besluit. De staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling toepaste en dat het EVRM artikel 3 uitzetting Pro tegenhoudt. De vreemdeling voerde aan dat zijn fysieke en psychische klachten, waaronder diabetes en verwaarlozing, het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel maken, mede vanwege het verblijf van zijn kinderen in Nederland.
De staatssecretaris stelde dat deze omstandigheden samenhangen met het illegaal verblijf en dat medische zorg ook zonder verblijfsvergunning beschikbaar is. Ook is geen sprake van uitzetting naar Afghanistan of een ander land, zodat geen gedwongen gezinsbreuk optreedt. De belangen van de vreemdeling wegen niet op tegen het algemeen belang Nederland geen vluchthaven te laten zijn voor personen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.
De Raad van State concludeerde dat de staatssecretaris de belangen voldoende afzonderlijk en in samenhang heeft meegewogen en het algemeen belang terecht zwaarder heeft gewogen. Het hoger beroep is gegrond, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.