ECLI:NL:RVS:2017:1888
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellante verzocht om een urgentieverklaring vanwege sociale en medische indicaties, waaronder psychische klachten en verminderde lichamelijke kracht, en de wens om voor haar kinderen te zorgen. Het college wees dit verzoek af, waarna ook het bezwaar en het beroep bij de rechtbank ongegrond werden verklaard. De rechtbank oordeelde dat appellante niet dakloos is en dat haar kinderen bij hun vader wonen, waardoor geen urgent huisvestingsprobleem bestaat. Het advies van een GGD-arts, dat de klachten niet direct samenhangen met de woonsituatie, werd als zwaarwegend beschouwd.
In hoger beroep betoogde appellante dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, onder meer omdat de GGD-arts geen contact had gezocht met haar huisarts en andere behandelaars, en dat nieuwe medische informatie niet was meegenomen. De Afdeling oordeelde dat het advies van de GGD-arts objectief en onpartijdig was opgesteld en dat het college niet verplicht was tot herbeoordeling. Ook was het niet onredelijk dat het college het beleid aanscherpte vanwege veranderde woningmarktomstandigheden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De zaak illustreert de toepassing van de Huisvestingswet 2014, de regionale huisvestingsverordening en beleidsregels omtrent urgentieverklaringen en de beoordeling van medische en sociale omstandigheden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.