ECLI:NL:RVS:2017:128
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering inzage ongeanonimiseerd dossier op grond van artikel 39i Wjsg
Appellant verzocht het college van procureurs-generaal om inzage en afschrift van een tegen hem opgemaakt strafvorderlijk dossier. Het college wees dit verzoek aanvankelijk af, maar verleende later inzage met uitzondering van namen van derden. Het verzoek om een afschrift bleef afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde dat artikel 39i Wjsg geen expliciet verbod op afschrift bevat en dat per geval moet worden bezien hoe het recht op kennisneming wordt ingevuld. De Afdeling overwoog dat artikel 39i Wjsg alleen recht geeft op mededeling welke strafvorderlijke gegevens zijn verwerkt en niet op het verkrijgen van een afschrift. Bovendien is het college niet gehouden een belangenafweging te maken over het verstrekken van een afschrift.
Verder stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte het dossier niet heeft ingezien, waardoor onduidelijk zou zijn waarom de belangen van derden zwaarder wegen. De Afdeling oordeelde dat de geanonimiseerde delen van het dossier namen van derden bevatten en geen hem betreffende strafvorderlijke gegevens zijn in de zin van artikel 39i Wjsg, zodat inzage daarin terecht werd geweigerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot verstrekking van een ongeanonimiseerd afschrift bevestigd.