ECLI:NL:RVS:2016:718
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot buiten beschouwing laten inkomen medebewoner bij huurtoeslag
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag van appellant over 2009 definitief vast op €32 en vorderde €2.134 terug wegens ten onrechte verstrekte voorschotten. Appellant verzocht om het inkomen van haar zoon buiten beschouwing te laten, omdat deze zorgbehoevend zou zijn en bij haar inwoont. Dit verzoek werd afgewezen omdat het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) geen indicatie voor verblijf had afgegeven.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de besluiten niet-ontvankelijk en wees het beroep af. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat haar zoon chronisch vermoeid is en daarom zorg nodig heeft, ondersteund door een huisartsverklaring. De Raad van State oordeelde dat de wet vereist dat een indicatieorgaan zoals het CIZ de verzorgingsbehoefte vaststelt, en dat een huisartsverklaring onvoldoende is.
Verder concludeerde de Raad dat het feit dat appellant mogelijk onder het bestaansminimum leeft geen grond is voor een uitzondering op de regels. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.