ECLI:NL:RVS:2016:3441
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-behandeling aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste toepassing Dublinverordening
De vreemdeling diende op 26 april 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris nam dit verzoek niet in behandeling omdat hij Italië verantwoordelijk achtte voor de behandeling, op grond van de Dublinverordening. Volgens de staatssecretaris was de geldigheid van het visum dat de vreemdeling had verkregen minder dan zes maanden verlopen.
De rechtbank vernietigde het besluit van 25 juli 2016 wegens innerlijke tegenstrijdigheden over de geldigheidsdatum van het visum, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. De rechtbank oordeelde dat de termijn van zes maanden nog niet was verstreken op het moment van de aanvraag, waardoor Italië verantwoordelijk bleef.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank artikel 42 van Pro de Dublinverordening onjuist had uitgelegd, omdat de termijn volgens hem op 25 april 2016 zou zijn verstreken. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de termijn inderdaad op 25 april 2016 eindigde, zodat de staatssecretaris ten onrechte Italië als verantwoordelijke had aangewezen.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen in stand werden gelaten, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-behandeling van de aanvraag wordt vernietigd.