ECLI:NL:RVS:2016:3262
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming beveiligingsfunctie na veroordeling voor ontuchtige handelingen
De korpschef heeft op 20 januari 2015 de gevraagde toestemming voor een beveiligingsfunctie aan appellant geweigerd op grond van een veroordeling van 5 februari 2013 voor ontuchtige handelingen met een minderjarige. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 30 april 2015 werd afgewezen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond op 3 maart 2016.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de hardheidsclausule niet toepaste, omdat het delict niet ernstig genoeg was en er een gering recidiverisico zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de korpschef terecht meer gewicht mocht toekennen aan het belang van vertrouwen in de beveiligingsbranche dan aan het persoonlijke belang van appellant. Het gepleegde delict werd als een ernstige aantasting van de rechtsorde beschouwd, waardoor de hardheidsclausule niet van toepassing was.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van toestemming voor de beveiligingsfunctie vanwege een eerdere veroordeling.