ECLI:NL:RVS:2016:3080
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid hoger beroep tegen inreisverbod en ongewenstverklaring vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 24 december 2014 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling na het ingewilligde verzoek tot opheffing van zijn ongewenstverklaring. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 december 2015 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen uitzonderlijke situatie in Tripoli bestond die bescherming biedt op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat de stukken geen ander beeld geven van de veiligheidssituatie in Tripoli dan eerdere uitspraken. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd daarom gegrond verklaard. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd.