ECLI:NL:RVS:2016:2987
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking exploitatievergunning hotel wegens illegale prostitutie en gevaar voor openbare orde
De burgemeester van Utrecht trok op 8 december 2014 de exploitatievergunning van het hotel van appellant in vanwege illegale prostitutie die plaatsvond in het hotel, wat een gevaar voor de openbare orde en een verstoring van het woon- en leefklimaat opleverde. De burgemeester stelde dat het toezicht via camera’s niet functioneerde en dat er concrete observaties waren van illegale prostitutieactiviteiten.
Appellant voerde aan dat de vrees voor gevaar voor de openbare orde niet gewettigd was, dat hotelprostitutie wijdverbreid en moeilijk te voorkomen is, en dat de burgemeester onterecht direct tot intrekking overging zonder waarschuwing. Ook stelde appellant dat hij onrechtvaardig werd behandeld ten opzichte van andere hotels en dat de termijn van zes maanden geen redelijke maatregel was.
De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelden dat de burgemeester terecht de vergunning heeft ingetrokken omdat de illegale prostitutie een gevaar voor de openbare orde en veiligheid opleverde. De Afdeling verwierp de bezwaren over disproportionaliteit, willekeur en de toepassing van het beleid. De termijn van zes maanden werd bevestigd en appellant kon niet aantonen dat andere hotels anders werden behandeld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de exploitatievergunning voor het hotel wegens illegale prostitutie en gevaar voor de openbare orde wordt bevestigd.