ECLI:NL:RVS:2016:2847
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot proceskostenvergoeding wegens schending vormvoorschrift in asielprocedure
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris bij besluit van 26 april 2016 niet in behandeling werd genomen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 25 mei 2016. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad constateerde dat de rechtbank terecht een schending van een vormvoorschrift had vastgesteld, maar onterecht had afgezien van een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris wel degelijk moest worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt in verband met de behandeling van het beroep.
De overige aangevoerde gronden in het hogerberoepschrift leidden niet tot vernietiging van de uitspraak. De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de rechtbank naliet de proceskosten toe te wijzen, bevestigde de rest van de uitspraak en veroordeelde de staatssecretaris tot betaling van € 1.488,00 aan proceskosten.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ad € 1.488,00 wegens schending van een vormvoorschrift.