ECLI:NL:RVS:2016:2795
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking marktvergunning wegens te late indiening
Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft het college de aan appellante verleende marktvergunningen ingetrokken. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 20 februari 2015 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde appellante beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ontvankelijk achtte en ongegrond verklaarde. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank, omdat het beroep op 11 juni 2015 werd ingediend, terwijl de beroepstermijn tot en met 3 april 2015 liep. Appellante stelde het besluit pas op 9 juni 2015 te hebben ontvangen. De rechtbank achtte het beroep ontvankelijk omdat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit daadwerkelijk op 20 februari 2015 was verzonden.
De Afdeling oordeelde dat het college wel aannemelijk had gemaakt dat het besluit op de juiste datum en aan de juiste gemachtigde was verzonden, op grond van het verzendprotocol en de administratieve gegevens uit het systeem Octopus. Het enkele betoog van appellante over eerdere postproblemen in de regio was onvoldoende om het ontvangstvermoeden te ontzenuwen.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de marktvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.