ECLI:NL:RVS:2015:3883
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep tegen besluit onvergunde bewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft bij besluit van 11 februari 2014 aan appellant bevolen de onvergunde onzelfstandige bewoning van een woning te beëindigen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 10 juli 2014 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ontvankelijk en ongegrond.
Appellant stelde dat hij het besluit van 10 juli 2014 niet had ontvangen en daarom te laat beroep had ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het college aannemelijk had gemaakt dat het besluit op 11 juli 2014 naar het juiste adres was verzonden, conform het verzendprotocol van de gemeente. Hierdoor gold de beroepstermijn tot en met 22 augustus 2014, terwijl het beroep pas op 1 september 2014 bij de rechtbank was ingediend.
De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende feiten had gesteld om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Daarom was het beroep bij de rechtbank ten onrechte ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het betaalde griffierecht werd aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 10 juli 2014 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.