ECLI:NL:RVS:2016:2769
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderopvangtoeslag wegens niet-erkende overeenkomst
De Belastingdienst/Toeslagen stelde het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 op nihil vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tussen appellante en het gastouderbureau. Voor 2010 werd het voorschot definitief vastgesteld op €1.364,00 omdat de overeenkomst per 1 januari 2010 was beëindigd. Appellante voerde aan dat de opvang wel had plaatsgevonden en dat terugvordering onevenredig was omdat het gastouderbureau de toeslag niet aan de gastouder had uitbetaald.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet voldeed aan artikel 52 van Pro de Wet kinderopvang en dat terugvordering terecht was. De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. De overschrijding van de beslistermijn door de Belastingdienst werd erkend maar leidde niet tot vernietiging van het besluit. Wel werd appellante een vergoeding van €500 toegekend wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukt dat de kinderopvangtoeslag alleen kan worden toegekend op basis van een schriftelijke overeenkomst en dat terugvordering verplicht is volgens artikel 26 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Strafrechtelijke procedures tegen het gastouderbureau beïnvloeden de bestuursrechtelijke terugvordering niet.
De uitspraak bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland en legt de nadruk op de noodzaak van correcte overeenkomsten en de wettelijke verplichting tot terugvordering van ten onrechte toegekende toeslagen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van kinderopvangtoeslag bevestigd, met een vergoeding van €500 voor overschrijding van de redelijke termijn.