ECLI:NL:RVS:2016:2585

Raad van State

Datum uitspraak
20 september 2016
Publicatiedatum
28 september 2016
Zaaknummer
201602114/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • R. van der Spoel
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrond verklaring beroep vreemdeling inzake verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verklaarde op 23 februari 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk gegrond was en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. Vervolgens toetste de Afdeling het oorspronkelijke besluit van 23 februari 2016 aan de door de vreemdeling in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden.

De vreemdeling voerde aan dat er geen objectieve rechtvaardiging bestond voor het onderscheid dat de staatssecretaris maakte tussen de beoordeling van intrekking van een verblijfsvergunning en de afwijzing van een asielaanvraag binnen dezelfde bevolkingsgroep. De Afdeling verwierp dit betoog op basis van een eerdere uitspraak. Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

201602114/1/V2.
Datum uitspraak: 20 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2016 in zaak nr. 16/3527 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in de grieven, samengevat en zakelijk weergegeven, onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in het besluit van 23 februari 2016, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 september 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:0910JUD000460114, deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer naar Mogadishu, alleen al wegens zijn terugkeer uit het westen, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De in de grieven opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 22 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1168, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak vloeit voort dat de grieven slagen.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 23 februari 2016 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.
3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat er geen objectieve rechtvaardiging bestaat voor het door de staatssecretaris gemaakte onderscheid tussen de beoordeling van de intrekking van een verblijfsvergunning asiel, die is verleend aan een vreemdeling die behoort tot de Reer Hamar, en de afwijzing van een asielaanvraag van een vreemdeling die tot dezelfde groep behoort.
4. De in de beroepsgrond opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 16 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2221, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak vloeit voort dat de beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 maart 2016 in zaak nr. 16/3527;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Yildiz
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2016
594.