ECLI:NL:RVS:2016:2216

Raad van State

Datum uitspraak
4 augustus 2016
Publicatiedatum
10 augustus 2016
Zaaknummer
201601874/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling onbevoegdheid rechtbank inzake opdracht tot onmiddellijke vertrek uit EU

Op 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 15 februari 2016.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat de opdracht de EU onmiddellijk te verlaten niet op rechtsgevolg is gericht omdat reeds een terugkeerbesluit van 22 juni 2012 van kracht was. Hierdoor had de rechtbank zich onbevoegd moeten verklaren om kennis te nemen van het beroep tegen deze opdracht.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond voor zover gericht tegen het deel van de uitspraak dat betrekking heeft op de opdracht tot onmiddellijke vertrek en vernietigt dit deel van de uitspraak. De rechtbank wordt alsnog onbevoegd verklaard. Voor het beroep tegen het inreisverbod bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wordt onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten; het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201601874/1/V3.
Datum uitspraak: 4 augustus 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2016 in zaak nr. 16/1535 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Op 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod jegens hem uitgevaardigd. De brief is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten
1. De vreemdeling klaagt in grief 1 terecht dat de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten niet op rechtsgevolg is gericht. De staatssecretaris heeft namelijk al bij besluit van 22 juni 2012 een terugkeerbesluit jegens de vreemdeling genomen. Dit terugkeerbesluit gold nog op 20 januari 2016.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het beroep tegen de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Grief 1 slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het beroep tegen vorenbedoelde opdracht. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren om van vorenbedoeld beroep kennis te nemen.
Inreisverbod
3. Hetgeen de vreemdeling voor het overige aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het beroep tegen het inreisverbod. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 februari 2016 in zaak nr. 16/1536 voor zover betrekking hebbend op het beroep tegen de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten;
II. vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre;
III. verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, griffier.
w.g. Van der Wiel w.g. Waasdorp
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2016
714.