ECLI:NL:RVS:2016:2216
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onbevoegdheid rechtbank inzake opdracht tot onmiddellijke vertrek uit EU
Op 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris aan de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde op 15 februari 2016.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat de opdracht de EU onmiddellijk te verlaten niet op rechtsgevolg is gericht omdat reeds een terugkeerbesluit van 22 juni 2012 van kracht was. Hierdoor had de rechtbank zich onbevoegd moeten verklaren om kennis te nemen van het beroep tegen deze opdracht.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond voor zover gericht tegen het deel van de uitspraak dat betrekking heeft op de opdracht tot onmiddellijke vertrek en vernietigt dit deel van de uitspraak. De rechtbank wordt alsnog onbevoegd verklaard. Voor het beroep tegen het inreisverbod bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wordt onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen de opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten; het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.