ECLI:NL:RVS:2016:181
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
Bij besluit van 9 oktober 2015 werd aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 november 2015 het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat onvoldoende kennis was genomen van de belangen van de vreemdeling en dat het arrest G. en R. niet correct was toegepast. De Afdeling overwoog dat de rechtbank onterecht had vastgesteld dat de schending van het verdedigingsbeginsel tot onrechtmatigheid leidde, omdat de vreemdeling onvoldoende had gestaafd dat hij psychische of lichamelijke klachten had die een lichter middel rechtvaardigden.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende, en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen schadevergoeding toegekend en het verzoek om proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en de schadevergoeding wordt afgewezen.