ECLI:NL:RVS:2016:1790
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag voor gastouderopvang zonder schriftelijke overeenkomst
Appellant maakte in 2009 gebruik van gastouderopvang via meerdere gastouderbureaus en vroeg kinderopvangtoeslag aan. De Belastingdienst/Toeslagen herzag het voorschot voor 2009 en stelde dat appellant geen recht had op toeslag voor juni en juli 2009 omdat zij geen schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau kon overleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Appellant voerde aan dat zij had voldaan aan haar mededelingsplicht en dat zij met bankafschriften en een jaaropgave het bestaan van een overeenkomst had aangetoond, ondanks dat het gastouderbureau de overeenkomst niet kon verstrekken vanwege fraude.
De Raad van State overwoog dat op grond van de Wet kinderopvang en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een schriftelijke overeenkomst vereist is om aanspraak te maken op kinderopvangtoeslag. Het enkele bewijs van betaling en andere documenten volstaan niet om het bestaan van een overeenkomst aan te tonen.
Daarmee heeft appellant niet aangetoond dat de opvang in juni en juli 2009 op basis van een overeenkomst plaatsvond. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.