ECLI:NL:RVS:2016:1770

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2016
Publicatiedatum
22 juni 2016
Zaaknummer
201600735/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie trok bij besluit van 25 februari 2015 de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling in. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris ondeugdelijk had gemotiveerd dat de vreemdeling geen reëel risico liep bij terugkeer naar Mogadishu. De Afdeling volgde de jurisprudentie van een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2016:1168) en stelde vast dat het hoger beroep gegrond was.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het intrekkingsbesluit ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Afdeling benadrukte dat andere beroepsgronden die niet in hoger beroep aan de orde waren gesteld buiten beschouwing bleven.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel ongegrond.

Uitspraak

201600735/1/V2.
Datum uitspraak: 15 juni 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 december 2015 in zaak nr. 15/6039 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2015 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in zijn grieven, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu alleen al vanwege zijn terugkeer uit het westen een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2. De in de grieven opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 22 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1168 beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak vloeit voort dat de grieven slagen.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 februari 2015 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond is beslist, aan deze grond niet wordt toegekomen. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 december 2015 in zaak nr. 15/6039;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Van Eck w.g. Yildiz
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016
594.