ECLI:NL:RVS:2016:1755
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluiten Wet arbeid vreemdelingen wegens onjuiste boetebedragen en beoordeling werknemerbegrip
De minister legde aan twee ondernemingen boetes van €48.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de appellanten gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelde vast dat de minister het boetenormbedrag onredelijk had toegepast en dit had verlaagd naar €8.000 per overtreding, waardoor de boetes moesten worden aangepast tot €32.000. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de chauffeurs, ook als bijrijders, reële en daadwerkelijke arbeid verrichtten en dus als werknemers in de zin van artikel 45 VWEU Pro moeten worden beschouwd, waardoor een tewerkstellingsvergunning vereist was.
De appellanten voerden aan dat de boetes onevenredig hoog waren en dat zij niet volledig verwijtbaar waren, omdat de chauffeurs mondeling geïnstrueerd waren om pas over de grens te wisselen. De Afdeling verwierp dit en benadrukte de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers om schriftelijke afspraken te maken en naleving te controleren. De boetes werden daarom niet gematigd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraken en besluiten, stelde de boetes vast op €32.000, en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan de appellanten.
Uitkomst: De boetebesluiten worden vernietigd, de boetes vastgesteld op €32.000 en de minister veroordeeld tot proceskostenvergoeding.