ECLI:NL:RVS:2016:1442
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kennelijk ongegronde asielaanvraag wegens inconsequente en tegenstrijdige verklaringen
De staatssecretaris wees op 10 december 2015 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, omdat zij kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen had afgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de staatssecretaris terecht artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 toepaste. De staatssecretaris had de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de verklaringen van de vreemdeling over de duur van haar relatie tegenstrijdig waren, waardoor haar aanvraag kennelijk ongegrond kon worden afgewezen.
De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat dezelfde argumenten niet zonder nadere motivering konden worden gebruikt voor de afwijzing als kennelijk ongegrond. De staatssecretaris had zijn standpunt voldoende gemotiveerd met concrete voorbeelden van tegenstrijdigheden in de verklaringen.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De asielaanvraag van de vreemdeling wordt terecht als kennelijk ongegrond afgewezen wegens inconsequente en tegenstrijdige verklaringen.