ECLI:NL:RVS:2016:1293
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens kennelijke ongegrondheid
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de staatssecretaris. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarin de mogelijkheid is opgenomen om aanvragen die kennelijk ongegrond zijn af te wijzen.
De vreemdeling stelde onder meer dat de staatssecretaris volgens artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn een vaste volgorde moet hanteren waarbij eerst moet worden vastgesteld dat een aanvraag ongegrond is voordat kan worden overwogen of deze kennelijk ongegrond is. De rechtbank had dit anders beoordeeld en verklaarde het beroep ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn niet voorschrijft dat een vaste volgorde moet worden gevolgd. De staatssecretaris mag een aanvraag die kennelijk ongegrond is ook inhoudelijk beoordelen, mits dit niet leidt tot strijd met het non-refoulementbeginsel. De Afdeling bevestigt dat de staatssecretaris in deze zaak de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en tevens inhoudelijk heeft beoordeeld.
De overige grieven van de vreemdeling leiden niet tot vernietiging van de uitspraak. Het hoger beroep wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond bevestigd.