ECLI:NL:RVS:2016:1222
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over hoofdverblijf bij aanvraag voorzieningen Remigratiewet
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die het bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voorzieningen krachtens de Remigratiewet ongegrond verklaarde. De raad van bestuur had de aanvraag afgewezen omdat appellant geen duurzaam hoofdverblijf in Nederland zou hebben, mede omdat hij twee appartementen in Turkije bezit waarvan één door zijn gezin wordt bewoond.
Appellant stelde dat hij wel degelijk hoofdverblijf in Nederland had, aangezien hij voorafgaand aan de aanvraag in Nederland verbleef en slechts kortdurend in Turkije was voor vakanties. Tevens beschikte hij over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en een duurzame woonruimte in Nederland. De rechtbank had dit onvoldoende meegewogen.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte aannam dat appellant geen hoofdverblijf in Nederland had. De raad van bestuur heeft beoordelingsvrijheid, maar diens standpunt is hier onvoldoende onderbouwd. De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laat en beveelt een nieuw besluit waarbij wordt uitgegaan van het hoofdverblijf in Nederland.
Tenslotte wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld en wordt de raad van bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.