ECLI:NL:RVS:2015:1425
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar intrekking bouw- en sloopvergunningen
Het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht verleende aan belanghebbende sloop- en bouwvergunningen voor een renovatieproject. Appellante, huurder van een pand binnen het complex, verzocht het college om intrekking van deze vergunningen. Het college verklaarde het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbende zou zijn, aangezien haar huurovereenkomst was geëindigd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde de uitspraak.
De Afdeling ging vervolgens inhoudelijk in op de gronden van appellante. Uit de procedure bleek dat het vonnis tot beëindiging van de huurovereenkomst uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en dat het hoger beroep van appellante tegen dat vonnis ambtshalve was doorgehaald. Hierdoor was appellante ten tijde van het besluit geen huurder meer en dus geen belanghebbende bij het verzoek tot intrekking van de vergunningen.
De Afdeling verklaarde het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit van het college ongegrond. Tevens werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en werd appellante het griffierecht voor het hoger beroep vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit van het college wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.