ECLI:NL:RVS:2014:4812
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht in vreemdelingenzaak
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 17 januari 2014 medegedeeld dat de vreemdeling aan Frankrijk zal worden overgedragen. De vreemdeling heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 11 maart 2014 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling werd op 8 april 2014 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en verzocht dit uiterlijk 22 april 2014 te voldoen. Na het uitblijven van betaling ontving zij op 12 mei 2014 een aangetekende brief waarin zij werd gesommeerd het griffierecht binnen twee weken te voldoen, onder dreiging van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De vreemdeling heeft het griffierecht niet voldaan en heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. H.G. Lubberdink op 1 juli 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.